Het plan voor een Nieuw Natuurrijk Nederland beoogt voor het hele land een toekomst te bieden waarin de oplossingen voor urgente problemen zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, stikstof, de landbouwtransitie en de woningbouwopgave met elkaar zijn verbonden. De prioriteiten en keuzes op het gebied van natuur, voedsel en wonen zijn voor heel Nederland uitgewerkt. Wanneer we inzoomen op specifieke gebieden, blijkt hoe deze prioriteiten en keuzes uitwerken in de regio. We hebben voor drie gebieden een natuurrijke uitwerking ontwikkeld: de Gelderse Vallei, de Zuiderzeepolders en de zuidelijke stadskrans Nissewaard.
6.1 Gelderse Vallei
Team: Gary Gilson, Suxin Liu, Rob Roggema, Frits van Loon, Nico Tillie
Introductie
In de visie voor de Gelderse Vallei wordt natuur, voedsel en wonen geïntegreerd. De biodiversiteit wordt hersteld door de veerkracht van het natuurlijke systeem te vergroten. Er wordt meer ruimte gegeven aan de beken om te meanderen en buiten hun oevers te treden. Water op de hogere delen wordt vastgehouden en nieuwe boscomplexen worden toegevoegd, door naaldbos om te zetten in loof- en gemengd bos en met ruimte voor open plekken. De beken verbinden de hogere stuwwalcomplexen met de lagergelegen veengebieden, die de tijd en ruimte krijgen om zich te herstellen. Het gebied wordt grotendeels zelfvoorzienend voor het produceren van voedsel door een mix aan gewassen in stroken- en mozaïekteelten, en een rijkdom aan voedselbossen. Bij de middelgrote plaatsen worden nieuwe duurzame wijken ontwikkeld en op de hogere gronden is ruimte gevonden voor nieuwe vormen van collectieve landgoederen. Op regionale schaal worden de kringlopen van water, voedingsstoffen, stikstof en CO2 gesloten, onder meer door reststoffen uit de stedelijke omgeving en de landbouw te gebruiken als grondstoffen.
De Gelderse Vallei heeft een lange geschiedenis. Het gebied zoals we dat nu kennen vindt zijn oorsprong in de laatste ijstijd: stuwwallen werden gevormd door het oprukkende landijs, zoals de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. De Gelderse vallei werd uitgeschuurd. Beken die van de stuwwallen afstroomden, vormden beekdalen. Waar ze samen kwamen, ontstonden bredere laagtes, zoals de Eemvallei naar het noorden. De huidige Grift stroomde als enige in zuidelijke richting naar de Rijn.
Er vormde zich in grote delen van de vallei veen, nabij Veenendaal, Ederveen en Nijkerkerveen, nu veelal verdwenen. Het landschap van hogere delen raakten bebost en zijn herplant aan het einde van de 19de eeuw. Deze gebieden zijn in belangrijke mate onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en herbergen grote natuurwaarden. De bosopstand bestaat in veel gevallen uit monocultuur van naaldbomen. Verdroging is een groot probleem en de natuurgebieden hebben lijden onder de hoge stikstofdepositie. In de Gelderse Vallei is in de loop van de afgelopen decennia het aantal intensieve veehouderijen sterk gegroeid. Met name kippen- en melkveehouderijen, die gebruik maken van steeds grotere en gesloten stallen, soms zelfs gestapeld. Gevoegd bij een sterkere verstedelijkingsdruk, zoals bedrijventerreinen op snelweglocaties, nieuwe woningbouwgebieden en een groei van de infrastructuur, is de invloed van de mens op het landschap groot. Plaatsen als Ede, Veenendaal, Amersfoort en Nijkerk zijn sterk gegroeid en onderdeel gaan uitmaken van de Randstedelijke invloedssfeer, met gevolgen voor een toenemende drukte en mobiliteit. Door de druk op het landschap en de biodiversiteit is het vermogen om in te spelen op onverwachte veranderingen sterk afgenomen. De landbouwgrond is ontwaterd. Beken zijn rechtgetrokken tot strakke greppels en sloten. , Veehouderijen dienen zich te houden aan strenge regelgeving, waardoor de economische levensvatbaarheid steeds meer ter discussie komt. Het groen dat we zien is vaak beperkt tot Engels raaigras. Dat is sterk gras, geschikt voor het uitrijden van drijfmest, maar zonder enige natuurwaarde. In grote delen van het jaar riekt het naar gier, een indringende geur van gemengd dierenpoep en -pies. Het andere dominante groen is maïs dat verbouwd wordt als (bij)voer voor het vee.
In de Gelderse Vallei komen veel problemen bij elkaar: de landbouw die tegen zijn grenzen aanloopt, de natuur die zich amper kan handhaven, de waterbeschikbaarheid die te wensen overlaat en de vraag naar woningen in een overspannen markt.
Het plan voor een natuurrijk Nederland biedt een uitkomst, door op regionale schaal gebiedsgerichte maatregelen met elkaar te combineren. Daarbij nemen we de natuur als uitgangspunt voor een veerkrachtige toekomst. We bepalen vervolgens welke voedselsystemen daarbij passen en hoe de huidige boeren daarbij een zonniger toekomst tegemoet kunnen zien. Daarnaast kijken we op welke manier woningbouw kan bijdragen aan de financiering daarvan, met een woningaanbod voor elke beurs in een groene en gezonde omgeving. Tenslotte kunnen productieve landschappen ontstaan door ruimtelijke ingrepen in het landschap te doen die in staat zijn de kringlopen te sluiten voor water, nutriënten, stikstof en CO2.
De ruimtelijke transitie van de Gelderse Vallei wordt laag voor laag opgebouwd, waarbij de over elkaar geprojecteerde systemen van natuur, voedsel en wonen elkaar onderling versterken en ook in synergie worden uitgevoerd.
Natuur
Het uitgangspunt voor de verrijking van de biodiversiteit is het oorspronkelijke bekensystem dat voor de ont- en afwatering van de stuwallen zorgde. Het watersysteem breiden we zo veel mogelijk uit. We voegen sprengen en nieuwe oorsprongen toe aan de beken zodat ze eerder het water van bovenop de stuwwal kunnen vasthouden. Daar openen we het bos om regenwater in de bodem te laten infiltreren, het grondwater aan te vullen en via de ondergrond vertraagd naar de vallei te stromen, waar het als zuiver water weer opkwelt in veen en andere natte zones aan de voet van de stuwwallen. Waar de beek ‘ontspringt‘, creëren we vennetjes en meertjes. Hier wordt water opgevangen en vastgehouden net zolang tot er voldoende is en het water langzaam heuvelafwaarts kan stromen. Om ook deze afvoer zo langzaam mogelijk te laten gaan, wordt de beek van nieuwe meanders voorzien. Ook krijgt de beek de ruimte om buiten zijn oevers te treden als er veel regenwater moet worden afgevoerd. In deze beekdalzones kan elzen-broekbos ontstaan en kunnen koeien en ander klein vee het landschap extensief begrazen.
Als de kwelstroom vanuit de hogere delen via de ondergrond weer op gang is gekomen, komt die weer aan het oppervlak in de laagste delen van het landschap. Met het vasthouden van regenwater in deze gebieden, kan nieuw veen ontstaan. Hierdoor kunnen we de oude (laag)veengebieden bij Veenendaal, Ederveen en Nijkerkerveen weer herontwikkelen, wordt CO2 vastgelegd en kan de biodiversiteit weer structureel toenemen.
Het bos krijgt een grotere diversiteit en kan voor meerdere doelen tegelijkertijd gebruikt worden: de productie van hout wordt verrijkt met nieuwe natuurwaarden, recreatie en voedselproductie, en een kleine hoeveelheid woningen.
De eerste aanvulling op het bestaande natuurnetwerk zal bestaan uit het alsnog omvormen naar natuur van het nimmer gerealiseerde deel van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS). Dat kan bos zijn of natte natuur in opener gebieden.
In het bestaande bos zijn de kerngebieden voorbehouden aan de meest kwetsbare natuur. Daartoe wordt het bos stapsgewijs diverser gemaakt. Oude bomen worden vervangen door jonge aanplant en naaldhout door loofbomen. Zo wordt de natuur verbeterd en de verdroging tegengegaan. Delen in dit landschap worden omgevormd tot halfopen parkbossen, waarin nieuwe vennen het water kunnen vasthouden en veel regenwater direct in de bodem kan zijgen. Deze verversing van het bos gaat in kleine stapjes en op kleine schaal. Geen hele percelen die worden gekapt en herplant, maar individuele bomen die vervangen worden door nieuwe.
De boszones langs de randen van de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug worden in stand gehouden, maar worden wel toegankelijk gemaakt voor extensief grazend vee dat binnen duidelijke grenzen kan rondscharrelen. Dit vee, natuurvarkens en -runderen, kippen en ander pluimvee vindt zo zijn weg onder en tussen de bomen en struiken, verbetert de bodemstructuur en maakt die vruchtbaarder door het verspreiden van natuurlijke mest. Bovendien draagt het grazen bij aan een gevarieerder natuur omdat sommige stukken wel en andere juist niet weggegeven worden.
Buiten het Natuur Netwerk Nederland wordt het bosareaal uitgebreid, langs de randen van bestaand bos en in stedelijke en dorpsranden. Hier kunnen grote voedselbossen worden ontwikkeld die door permacultuur principes met de natuurlijke omgeving verbonden zijn.
Samen met de hernieuwde veengebieden en de ruimte die gecreëerd wordt in de overstromende beekzones, ontstaat zo een groot, rijk en divers natuurlijk raamwerk.
Voedsel
Het nieuwe voedselsysteem is circulair en natuurinclusief. Dat betekent dat kringlopen worden gesloten en de productie van voedsel per saldo bijdraagt aan de biodiversiteit. Naast de ontwikkeling van voedselbossen en het vrij scharrelen van kleinvee in de bosranden, worden de meest vruchtbare gronden van het huidige landbouwareaal ingezet voor mozaïeklandbouw, waarbij een afwisseling in verschillende gewassen en teelten een hogere productiviteit oplevert en tegelijkertijd de natuurwaarden vergroot. Deze natuurvriendelijke hoogproductieve manier van voedsel produceren vindt zijn plek op de flanken van de stuwwallen. Weidegronden in de nattere delen van de vallei kunnen worden gebruikt voor het weiden van runderen.
Wonen
De vraag naar woningen is in de Gelderse Vallei groot. Toevoegen van nieuwe woonconcepten op specifieke plekken in het landschap kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, de biodiversiteit vergroten en voorzien in een aantrekkelijke, betaalbare en gezonde woonomgeving. Met de ontwikkeling van woningen worden ook de financiële middelen beschikbaar gemaakt voor de transitie van belastende landbouwgrond naar natuur en natuurinclusieve vormen van voedselproductie.
Ook in bestaande steden en dorpen zullen woningen gebouwd kunnen worden voor een specifieke doelgroep die in een stedelijk dynamische omgeving wil wonen, dichtbij voorzieningen, de ‘actie’ en openbaar vervoer. Deze herontwikkeling is vaak kostbaarder en vergt een langer planontwikkelingstraject, maar kan ook een waardevolle toevoeging betekenen aan de huidige stadscentra en buitenwijken, waar het niveau van voorzieningen onder druk staat.
In beperkte mate en in compacte vorm kunnen in het bos innovatieve woonconcepten worden toegepast, die ervoor zorgen dat het hogere en uitdrogende landschap de mogelijkheid krijgt water vast te houden en in de bodem te laten zakken. Een woonconcept dat hierbij past zijn nieuwe landgoederen voor wooncollectieven, gelegen in een halfopen parkachtige bosomgeving, met een rijkdom aan vennetjes in de directe omgeving. Een plek waar meerdere gezinnen en huishoudens kunnen wonen, off-grid en zelfvoorzienend.
Daarnaast kunnen nieuwe regeneratieve woonwijken worden toegevoegd aan de zogenaamde middelkleine kernen, bijvoorbeeld bij Ermelo, Nijkerk, Nunspeet, Lunteren, Soest, Leusden en dergelijke. Deze woonwijken zijn kleinschalig, dorpachtig en bieden plek aan ca. 10 tot 15 duizend woningen. De wijk als geheel regenereert het land, dat wil zeggen dat er netto meer schoon water aan het landschap wordt toegevoegd dan eruit wordt gehaald, meer CO2 wordt vastgelegd dan uitgestoten, meer voedsel geproduceerd wordt dan opgegeten, en meer natuurwaarde gecreëerd wordt dan er verloren gaat.
Voor alle nieuwe woningen geldt dat zij worden gebouwd met voornamelijk hout, dat afkomstig is uit de nabijgelegen bosgebieden. Om te beginnen wordt hiervoor volgroeid naaldhout gebruikt, dat na herplant met jong gemengd loofbos de kans geeft extra CO2 vast te leggen. Successievelijk verandert het bos langzaam en wordt het diverser. Wanneer het loofhout volgroeid is, kunnen ook deze bomen gebruikt worden voor de houtbouw. De hoeveelheid beschikbaar hout bepaalt op regionale schaal de hoeveelheid woningen die gebouwd kunnen worden en daarmee voor hoeveel extra bevolking er ruimte is.
Water, nutriënten, stikstof en CO2
Door de transitie naar een natuurrijke regio verandert het natuurlijk kapitaal. De voorraden en bronnen in het gebied worden minder verbruikt en lokaal weer aangevuld. Waar CO2-emissies plaatsvinden, wordt natuur ingezet om dit om te zetten in groei van bomen en gewassen. Dit continue hergebruik van materialen en stofstromen zorgt ervoor dat kringlopen op de kleinst mogelijke schaal kunnen worden gesloten. Afvalwater uit stedelijk gebruik wordt gezuiverd, teruggeven aan de natuur en vult daarmee de verdroogde natuur en bodem weer aan. Overschotten aan nutriënten, zoals organisch afval, wordt omgezet in diervoer en energie. En stikstof en CO2 wordt vastgelegd in de groei van bossen en planten, waardoor natuur ontstaat en producten zoals hout en voedsel door de mens in het gebied weer kunnen worden gebruikt. Elk van deze stofstromen is stapsgewijs en in lagen weergegeven. In werkelijkheid is het een geïntegreerd proces dat continu plaatsvindt en synergetisch werkt. Het een heeft baat bij het ander en ‘hier’ draagt bij aan de kwaliteit ‘elders’. Zo ontstaat een verbeterde versie van de casco-planologie¹.
Water
Het huishoudelijk afvalwater wordt nu afgevoerd via het riool om centraal gezuiverd te worden. Hierdoor verdwijnt veel water uit het gebied en worden ook mogelijke voedingsstoffen naar elders gebracht. Om de waterkringloop beter te sluiten stellen we voor om dit water voor het gebied te behouden en zowel het water als de voedingsstoffen te benutten in het landschap. Het huishoudelijk water wordt verzameld en naar een helofytenfilter gebracht waar het gezuiverd wordt en afvalstoffen worden opgenomen in de rietplanten. Een ander deel van het afvalwater wordt, ontdaan van belastende stoffen naar de mozaïekgronden gebracht waar het de grond vruchtbaarder maakt. Het water uit de helofyten wordt daarna omhoog gebracht via een pompsysteem, naar de hogere delen op de stuwwallen. Hier kan het de bodem inzingen en verder gezuiverd worden, en kan het opgevangen worden in de natuurlijke vennetjes. De regen die hier valt vult de voorraden aan en vermindert de gevolgen van de oprukkende droogte. Door de sortimentskeuze in het bos (meer loof, minder naald) en het creëren van open plekken krijgt dit water de gelegenheid in de bodem te zakken en is de opname van water door de bomen en planten in balans met de hoeveelheden water. Het overtollige water stroomt daarna weer langzaam van de heuvel af. Het vormt het begin van het beeksysteem en elke beek meandert om de afstroom verder te vertragen. Bij grotere hoeveelheden afstromend water treedt de beek buiten zijn oevers. In combinatie met extensieve begrazing wordt daarmee de natuurkwaliteit in het beeksysteem vergroot.
Nutriënten
In steden en dorpen komen veel nutriënten vrij door weggegooid voedsel en snoeiafval in openbaar groen en tuinen. Groenafval kan versnipperd worden en in een biovergistingsinstallatie omgezet worden in biogas. De voedselresten kunnen worden gevoerd aan vee dat in de directe omgeving van de woongebieden wordt gehouden. De dieren zetten dit om in mest dat gedoseerd op het land van de mozaïeklandbouw en in voedselbossen gebracht kan worden. Ook kunnen de uitwerpselen op natuurlijke wijze verspreid worden in de uitloopgebieden voor kleinvee, zoals in de bosranden. Hierdoor groeien de bomen, struiken en gewassen en vormen weer voedsel en hout. Het voedsel wordt vervolgens gegeten door de mensen in de steden en dorpen, het hout wordt op termijn gebruikt in de bouw en het vergiste biogas komt terecht in het stedelijke energiesysteem.
Stikstof
In de bouw, veeteelt en in het verkeer wordt stikstof uitgestoten. De stikstof daalt vervolgens als depositie neer op natuurgebieden en landbouwgronden. Sommige gewassen zijn in staat om bepaalde stikstofverbindingen weer vast te leggen, of om te zetten in minder belastende stoffen. Veen (azola), moeras (elzen), vlinderbloemige gewassen (lupine, bonen) en sommige boomsoorten (robinia) zijn in staat om specifieke stikstofverbindingen direct op te nemen of via schimmels in hun wortelsysteem vast te leggen. Het is daarom van belang om gebieden aan te leggen die de stikstofdepositie gebruiken om de stoffen uit de lucht en de bodem te halen zodat het niet kan uitspoelen in grond- en oppervlaktewater, en het geen kwaliteitsverlies oplevert voor de biodiversiteit. Veel stikstof bevoordeelt namelijk bepaalde planten, waarmee die planten andere overwoekeren en de algehele diversiteit in het systeem verlagen. Dat is slecht voor de natuur en de veerkracht van het hele ecosysteem. De verschillende landschappelijke eenheden verhogen daarmee elk op hun eigen manier de biodiversiteit, maar ze leveren ook gewassen op die gegeten of industrieel gebruikt kunnen worden, zoals lupines en bonen, en hardhout voor de bouw.
CO2
Bij het verbruiken van energie dat geleverd wordt door fossiele bronnen te verbranden (gas, olie, kolen) komt CO2 vrij in de lucht. In grote hoeveelheden draagt dit broeikasgas bij aan de verhoging van de temperatuur op aarde en werkt daarmee klimaatverandering in de hand. De industrie, het verkeer, het wonen en de landbouw zijn de belangrijkste gebruiksvormen die bijdragen aan het verhogen van de concentratie CO2 in de atmosfeer.
Bomen en planten leggen CO2 op een heel efficiënte manier vast en zetten dit om in zuurstof. Door bebossing en vervening kan het proces van verdere opwarming van de aarde dus tegengegaan worden. Oude bomen leggen relatief minder CO2 vast en het is dus raadzaam om oudere bomen in kleine stapjes langzaamaan te kappen en te vervangen door jongere aanplant, die in de beginstadia van de groei relatief veel kunnen vastleggen. In de Gelderse Vallei bieden de bosgebieden op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug goede mogelijkheden om stukken naaldbos te kappen en geleidelijk te vervangen door loofhout en gemengd bos. Zo ontstaat een diverser bos met grotere natuurwaarde. Het gekapte hout kan direct gebruikt worden in de bouw en overschotten kunnen door electrolyse verkoold worden en toegevoegd worden aan de bodem, waar het de structuur verbetert, de waterhuishouding reguleert en meer voedingsstoffen vrijmaakt voor landbouwgewassen.
¹ In dit casco-concept vormen functies met een lage dynamiek (natuur, waterbeheer) het raamwerk voor functies met een hogere dynamiek (industrie, landbouw, wonen). In ons voorstel wordt dit concept meerdimensionaal: het casco-plus-plus concept gaat ervan uit dat de hoogdynamische functies reststromen hebben die in het laagdynamische raamwerk benut kunnen worden voor het vergroten van de kwaliteiten in dat raamwerk (van water, bodem en natuur), en tegelijkertijd transformeren hoogdynamische functies naar laagdynamische versies, zoals bijvoorbeeld het voedselsysteem, dat in balans is gebracht met de natuurlijke draagkracht en daarmee, door te functioneren met veel minder impact op de omgeving, toegevoegd wordt aan het raamwerk.
Sluit dit tabblad in uw browser om terug te keren naar de samenvatting.
(Windows: Crtl+W of Mac: Cmnd+W)